maandag 25 januari 2010

Ontmoetingen


'Het zou natuurlijk onzinnig zijn als het anders was. Alles is bestudeerd, alles is berekend, vergissingen zijn uitgesloten, er zijn geen gevallen bekend waarin een fout kon worden vastgesteld, al was het maar een paar centimeter of zelfs een paar millimeter.
Toch onderga ik steevast iets wat op verrukking lijkt wanneer ik denk aan de ontmoeting van de Franse en de Italiaanse werklieden in het midden van de Mont Cenis-tunnel.'

Georges Perec in 'Ruimten Rondom'

dinsdag 19 januari 2010

Weinig poentie en bulibuli

Mensen hebben voor- en achternamen. Sommigen heten van achteren VandenLorre, en daar kunnen ze niets aan doen. Zo zijn ze geboren – met waarschijnlijk een lor ergens in de voorvaderen.

Maar gelukkig hebben mensen ook een voornaam. Toch kan die het lor soms niet helemaal verhullen. Een voorbeeld. Wilfried. Een prachtige voornaam: wil vrede. Wilfried mag televisie-programma’s presenteren.

In zijn nieuwste programma neemt hij 24 uur lang een gast in huis (lees: tussen vier gammele studioschotten, voorzien van alle denkbare audiovisuele registratieapparatuur), en het moet bij voorkeur een Bekende Nederlander zijn, want Wilfried wil laten zien hoe die nu écht is - 24 uur lang een masker ophouden lukt namelijk niemand. (Ook Wilfried niet).

Gisteren had hij Heleen op bezoek, een mooie vrouw van midden veertig. De gedachte aan 24 uur levenslang met Heleen deed Wilfried, zeven jaar ouder dan zij, waarschijnlijk weken van tevoren al in de heerlijkste dromen verzinken.
Maar toen ze er was, bleek ze behalve over een prachtig uiterlijk vooral over een verscheurd innerlijk te beschikken. Een ziel, die altijd op zijn hoede is voor een dreigende psychose. Vanwege een eerdere, die ontstaan was nadat Heleen haar baby ondervoed had, terwijl ze juist dacht dat ze het goed deed: baby aan de borst.
‘Het kind heeft drie weken echt hónger geleden!’ zei ze, en het was te zien dat de gedachte alleen al haar nog pijn deed.
Wilfried vond daar niet veel aan.
‘Gebruik je pillen tegen zo’n psychose?’ vroeg hij mismoedig, in een foute houding, ongeïnteresseerd hangend op de bank, tegenover haar.
‘Ja, ik heb er net een genomen.’
‘Waarom?’
‘Om een psychose te vermijden.’
Het woord neerslachtig werd letterlijke realiteit toen Wilfried nog vijftien graden dieper in een scheve hoek zakte. De heerlijke dromen losten voor zijn ogen op, terwijl hij de lieflijke gestalte tegenover hem aanschouwde. Een psychose. Dat is weinig poentie.
‘Alle gedachten zijn voor mij bijna-realiteit,’ verklaarde de mooie Heleen, ‘ik moet er echt voor zorgen dat sommige niet te dichtbij komen.’
‘Gedachten? Wat voor gedachten?’
‘Dit gesprek, bijvoorbeeld. Het kan van alles oproepen.’
‘Wat dan?’
‘Gevoelens.’
‘Gevoelens?’ De slappe passer werd aangedraaid tot een zuivere hoek van 45 graden. ‘Wat voor gevoelens?’
‘Nare gevoelens.’
‘Náre gevoelens?’ En hij zakte meteen weer in tot nul. ‘Maar ... jij bent toch de succesvolle vrouw op de rode loper?’
‘Ja,een deel van mij. Gelukkig wel.’
‘Maar kun je die vreemde gedachten niet een rotschop geven, van: sodemieter op, dit is niet wáár.’
Hij zou wel willen. Helaas werkt het zó niet.

En dat haar vader zelfmoord had gepleegd … nu ja, niet bulibuli voor Wilfried. Zo zie je dat een vrede vermoedende voornaam nog niet alles zegt over zijn drager, een man die – zelfs als hij zeven jaar ouder is dan de vrouw die hij op visite nodigt – te jong is voor een volwassen gesprek, en misschien een lor in zijn voorvaderen heeft.

maandag 18 januari 2010

Peinzen in het duister mag best een keer

Sinds kerst heb ik een peinshoekje – op het randje van mijn terracotta bankje, vlak bij waar voorheen de kerstboom stond. Daarvóór stond er een lamp, maar omwille van de vrede in huis tussen de kerstboom en de schemerlamp heeft de lamp zich een verdieping hoger gewandeld en zich op de korenmaat geplaatst. De kerstboom had vrij spel, enkele weken, en daarna lag hij tegen de lantaarnpaal tegenover mijn huis, omdat de reinigingsdienst dat zo wilde.

Sindsdien heb ik een duisterend hoekje in de kamer, bij mijn terracotta bank. Het geluk wil dat daar ook juist de kachel staat, en zo werd een leesplekje een peinshoekje voor donkere, koude januaridagen.

’t Is wel lekker om daar grensverleggend te zitten mijmeren, bijvoorbeeld over feestdagen. Waarom doen we niet iets leuks in januari – behalve mijmeren? Omdat er niemand jarig is. Geen Martinus, geen Sinterklaas. Omdat er niemand geboren werd. Geen kerstkind. Geen paashaas die uit een ei kruipt. Omdat er niemand trouwt. Geen Pinksterbruid. Geen Meimaagd. Omdat er niemand vrij heeft, en op vakantie gaat. Koud. Geen geld. Geen tijd.

Daarom is mijn peinshoekje zo prettig. Je kunt net doen alsof het wél zo is. Tegen de kachel geleund droom ik dat ik op reis ga, met een januariman, en een januaribaby, op januarivakantie. En we eten januarieieren en we drinken januariwijn.

Straks worden de dagen weer langer, je merkt het nu al een beetje. Voor je het weet, is het in mijn duisterende hoekje weer volop licht, want het is mooi op het zuidwesten gelegen. Voor je het weet, zie ik weer hoe mijn kipjes rasechte eieren leggen. En moet ik een reis verzinnen. Met een man van vlees en bloed op stap.

Vaarwel, veilig mijmerbankje. Die januaribaby was er al. Hij heet Thomas, en wordt vandaag 26 jaar.

Vreemde energieën

In de nieuwjaarsochtend van 1995 had ik mijn eerste uittreding. Dat ging als volgt: ik lag in bed op mijn rug in een toestand tussen slapen en waken en ik voelde hoe een vreemde energie door mijn voeten naar binnen ging. Vervolgens steeg ik met laken en al recht naar boven en werd ik door een wind meegenomen. Meer kan ik me niet herinneren. Daarna kreeg ik vaker uittredingen, bijna altijd in momenten van halfslaap, nadat ik wakker geworden was en weer in slaap dreigte te gaan vallen. Toen noemde ik het nog geen uittredingen maar hallucinaties, ook vanwege de vaak spectaculaire geluidseffecten die in die halfslaaptoestand optraden. Soms hoorde ik orkestrale muziek die ik nog niet eerder gehoord had, een merkwaardige combinatie van avant-gardistische klanken en 19e eeuwse romantiek. Meeslepende muziek waarvan ik me afvroeg of ik daarvan de creator was, of alleen maar de toehoorder. Interessant was dat het volume van de hallucinatie afnam naarmate ik de muziek meer probeerde te controleren. (Op een vrij ruwe manier: meer koper, meer strijkers, dat soort aanwijzingen). Stopte ik met het proberen te beïnvloeden van de muziek dan zwol het volume weer aan. Een andere observatie die ik had, was dat er een vloeiende overgang was tussen lucide dromen en uittredingen. Ik had al een tijdje ervaringen met lucide dromen, die ik in toenemende mate kreeg sinds ik in een schriftje mijn dromen was gaan opschrijven. De uittredingen waren begonnen niet lang nadat ik fanatiek was gaan mediteren, het tellen van mijn uitademingen.

Pas nadat ik ik een vriend vertelde over een specifieke ervaring ben ik de hallucinaties die met een gevoel van wind en vliegen gepaard gaan uittredingen gaan noemen. (meestal voorafgaand door een gevoel van verstijving) Het ging om de volgende hallucinatie: ik zweefde boven een groot complex van boerderijen en voelde hoe er boven mij een vreemd lichaam meevloog. Dit vreemde lichaam stak een tentakel in mijn onderrug. Het leek een nachtmerrie waarbij ik door een vreemd insect werd uitgezogen, tenminste die versie vertelde ik aan mijn vriend. Maar hij had de volgende verklaring. Die tentakel was de bekende streng waarmee ik verbonden was met mijn lichaam. Het vreemde lichaam dat ik achter me voelde was mijn fysieke lichaam waarin ik weer aan het terugkomen was. Dit vond ik niet onaannemelijk klinken. Met diezelfde vriend had ik altijd meningsverschillen over 'of er meer is'. Ik was de scepticus, hij geloofde in geesten, reïncarnatie etc. Hij was nogal fan van de Seth-boeken. Dat juist ik, de scepticus, dit soort ervaringen had, dat was natuurlijk wel grappig. De uittredingen die ik had pasten meestal in het bekende plaatje: een wind waardoor je meegenomen wordt, een reis door een tunnel, aankomst in een 'andere wereld'.

De periode waarin ik de meeste en ook de heftigste uittredingen had, viel tussen 1995 en 1997. Misschien juist omdat ik me er daarvoor, met mijn scepsisme, nogal tegen had verzet, gaf ik me er helemaal aan over, en ging als een bezetene boeken lezen over sjamanisme, het Tibetaanse dodenboek, en dergelijke. Maar omdat de ervaringen op zichzelf niet erg aangenaam waren, fysiek vooral, was er toch een soort rem op mijn nieuwsgierigheid. Vreemde energieën, ruwe, grofstoffelijke, doorborende energieën, wel interessant, maar niet fijn. Een keer voelde ik, in een toestand van katatonie, hoe mijn gezichtsspieren werden bewogen door een vreemde wil. Ik voelde spieren in mijn gezicht rollen waarvan ik niet wist dat ik ze had, ze zaten dieper dan de gezichtsspieren die ik normaal voel, maar niet alleen dieper, ook de bewegingen die ze maakten waren vreemd. Het was een spastische, krankzinnige dans van knopen door mijn gezicht. Voor het eerst voelde ik dat niet alleen gezichtsspieren gevoelens kunnen uitdrukken, maar ook omgekeerd dat gezichtsuitdrukkingen gevoelens kunnen oproepen. Omdat het gevoelens waren die ik nog niet eerder had ervaren kan ik ze moeilijk omschrijven. Het was een combinatie van uitzinnige razernij, verwarring en afschuw.

Nog een ervaring die ik de moeite waard vind om te vermelden is een uittreding waarbij ik het gevoel had dat ik wegvloog op de 'astrale wind', terwijl ik tegelijkertijd mijn lichaam nog op het matras voelde liggen. Ik was in staat om mijn ogen met een uiterste krachtsinspanning te openen, dwars tegen de slaapverlamming in, en zag toen iets dat ik absoluut niet kon plaatsen. Ik had het gevoel dat ik was vastgebonden aan de mast van een schip en tegen die mast omhoogkeek. Terwijl ik 'wakker' werd met mijn ogen open, en ik weer geheel en al terugkwam in mijn lichaam kon ik pas plaatsen wat ik zag. Het was de leeslamp op mijn nachtkastje. Ik had het beeld niet herkend omdat ik in de uittreding geen gevoel voor 'onder', 'boven', 'voor' en 'achter' had. Dezelfde visuele prikkels interpreteerde ik ineens heel anders. Die overgang was fascinerend.

Nu ik er jaren later, met de nodige afstand op terugkijk, stel ik me nog steeds de vraag wat ik voor betekenis moet toekennen aan deze ervaringen. Waarom had ik deze ervaringen? Is er inderdaad 'meer'? Kwamen de vreemde energieën werkelijk van 'buiten' of waren het projecties van mijn eigen geest? Wat wil dat eigenlijk zeggen de 'eigen geest'? Waar begint deze en waar houdt hij op? Doen deze vragen er überhaupt toe en gaat het niet vooral om het feit dat ik iets heb ervaren dat buiten mijn kader lag? En daarmee de grenzen van mijn scepsis ben tegengekomen? (Zonder me meteen aan allerlei theorieën van spiritisten e.d. uit te leveren). Ik moet denken aan de bekende uitspraak van Rimbaud: 'ik is een ander' en de vedische wijsheid: 'Gij zijt dat'. Beide ondergraven de westerse notie van een autonoom 'ik'. Misschien heb ik op mijn manier het 'andere' dat 'ik' is ervaren.

In die tijd gebeurde het dat ik een keer langs het Groninger museum fietste op weg naar het station. Ik passeerde een zwerver. Deze keek me doordringend aan en zei met onheilspellende stem: 'there's a ghost under your bed'.

zaterdag 16 januari 2010

Verborgen grens


Wie ’s avonds over het Domplein van Utrecht fietst kan soms verrast worden door een groene nevel die opstijgt uit een spleet in de straat. Deze nevel herinnert aan de muur van het Romeinse castellum dat hier ooit stond. Het castellum bewaakte de noordgrens van het Romeinse Rijk. Deze grens volgde de oevers van de Rijn en heeft op veel plaatsen zijn sporen achtergelaten in de ondergrond. Sporen die soms weer in onverwachte vorm naar boven komen.

vrijdag 8 januari 2010

Stukje uit de toespraak van prinses Maxima in 2007:

Mijn schoonvader, Prins Claus, zei toen het volgende: “Eén vraag die heel moeilijk te beantwoorden is en die mij herhaaldelijk gesteld werd, is hoe het voelt Nederlander te zijn. Mijn antwoord is: ik weet niet hoe het is Nederlander te zijn. Ik heb verschillende loyaliteiten en ik ben wereldburger en Europeaan en Nederlander.” Woorden die ik nooit ben vergeten. Om de identiteit en loyaliteit van een mens zijn geen hekken te plaatsen. Ik denk dat veel mensen het zo voelen.

woensdag 6 januari 2010



dat is toch best wel een heel klein beetje jammer, vond God
als de mens de backyard van het heelal tot zijn beschikking heeft
en er een binnenplaats van 1 bij 1 van maakt,
terwijl ie in drukinkt comics jubelt:
de postzegel sky
is de postzegel limit

God zucht:
dat de mens nu een vierkant hoofd heeft
was niet mijn bedoeling
het zou rond horen te zijn
als mijn schedel, mijn oogbal, de heupen van Eva
maar het lijkt nu nog het meest
op een pak sigaretten of een ijsblokje

werd er maar weer wat les gegeven
door willekeurige plak- en-knipdocenten
of anderszins muzisch vormend,
gewoon weer creabea
dat zou een begin zijn

maar goed, denkt God
dat ik zo somber denk kan ook niet de bedoeling zijn
ik ga behoorlijk op die mens zelf lijken
straks krijg ik nog een ego
en kan ik het wel schudden met focussen op mijn stiltepunt
zo komt er never nooit een mensheidsontwikkeling tot stand
en ik wou nu toch
langzamerhand wellus
aan mijn bapo beginnen.

zaterdag 2 januari 2010

To boldly go where no man has gone before


Kapitein Kirk trok met zijn ruimteschip de Enterprise naar de final frontier van het heelal. De g=t groep heeft een niet minder bescheiden reisdoel. Wij verkennen het grensgebied van de cultuur. Vanuit persoonlijke fascinaties laten we ons licht schijnen op uiteenlopende onderwerpen. Op zoek naar spannende confrontaties en onverwachte ontmoetingen. Het onderwerp voor de eerste bijeenkomst van de g=t groep is ‘grenzen’.

We denken dat een gedachtenwisseling over grenzen een goede start is om de g=t groep - vooralsnog niet meer dan een rondzwevend concept - een plaats te geven in de werkelijkheid. Want voordat je grenzen kunt verleggen, moet je weten waar ze liggen.

De trend lijkt dat grenzen vervagen. Door economische mondialisering en het world wide web doen geografische verschillen er niet meer zo toe. En ook de grens tussen het publieke en het privé domein is steeds moeilijker te trekken. Over hoe we dit moeten duiden, verschillen de meningen. Er gaan steeds meer stemmen op voor het stellen van grenzen en het beschermen van lokale tradities. Lange tijd was het de norm om voortdurend je grenzen te willen verleggen, maar tegenwoordig wordt dit vaak neergezet als uitwas van een ontspoorde maatschappij. ‘Het ideaal van het bevrijde individu heeft zijn eindpunt bereikt’, aldus onze koningin. ‘We moeten trachten een weg terug te vinden naar wat samenbindt.’ Ook in de kunst - een mondiale sector bij uitstek - lijkt er sprake van een herwaardering van het lokale. Veel kunstenaars plaatsen zichzelf in een traditie of ontlenen hun onderwerp aan het landschap.

De vraag kan gesteld worden in hoeverre het lokale nog daadwerkelijk gebonden is aan fysieke grenzen of evengoed een onderdeel is van de wereldeconomie. En of dat erg is. Wat betekenen grenzen nog in dit tijdsgewricht? Wat zijn eigenlijk relevante grenzen? Misschien zijn denkbeeldige grenzen en persoonlijke geografieën wel veel interessanter. Dit soort vragen staat centraal op de eerste bijeenkomst van de g=t groep. We zijn niet op zoek naar antwoorden, wel naar wonderlijke verhalen en inspirerende beelden.