zaterdag 13 februari 2010

Een zekere Chinese encyclopedie


Elke keer als ik de tekst lees waarmee de Franse filosoof Michel Foucault zijn magnum opus ‘De woorden en de dingen’ begint, kan ik een lach moeilijk onderdrukken. Hij citeert de schrijver Borges die op zijn beurt 'een zekere Chinese encyclopedie' citeert. Waarin geschreven zou staan dat de 'dieren kunnen worden verdeeld in: a) die de Keizer toebehoren, b) gebalsemde, c) tamme, d) speenvarkens, e) sirenen, f) fabeldieren, g) loslopende honden, h) die in deze indeling voorkomen, i) die in het rond slaan als gekken, j) ontelbare, k) die met een fijn kameelharen penseeltje getekend zijn, l) et caetera, m) die juist een kruik gebroken hebben, n) die uit de verte op vliegen lijken'.

Volgens Foucault bereiken we bij de verbazing over deze taxonomie in één sprong de grens van ons denken. Vervolgens legt hij omstandig uit hoe onze beleving van de werkelijkheid wordt geconstrueerd door de woorden die we daaraan geven. De structuur van de taal weerspiegelt en bevestigt de maatschappelijke orde. En hij beschrijft hoe in de loop van de geschiedenis hierin radicale breuken hebben plaatsgevonden.

Zware kost, die Foucault, dat wel. Daarom terug naar de lach. Over het ongerijmde van die absurde opsomming. De meest fantastische wezens worden hier bij elkaar gebracht, fabeldieren naast loslopende honden. En tegelijkertijd tart de gemeenschappelijke ruimte waarin zij elkaar zouden kunnen ontmoeten elke verbeelding. Het gaat ‘knetteren in je hoofd’ zou Mary zeggen. Die lach raakt voor mij aan de essentie van de g=t groep. Want het gaat toch om het oproepen van onverwachte associaties, het laten kantelen van vertrouwde perspectieven? De fantasie prikkelen en uitdagen tot een dialoog. Impossible, you say?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten